Kleinbloemige wilgenroosje (Epilobium parviflorum)

Kleinbloemige wilgenroosje (Epilobium parviflorum)

Kleinbloemige wilgenroosje (Epilobium parviflorum)

Kleinbloemige wilgenroosje of viltige basterdwederik. Omdat er veel verschillende soorten van het wilgenroosje bestaan is enige onzekerheid ontstaan. Als geneeskrachtige soorten, volgende planten worden gebruikt: Het rozerode wilgenroosje (Epilobium roseum) het klein of beekwilgenroosje (Epilobium parviflorum), het bergwilgenroosje (Epilobium montanum), het donkergroene wilgenroosje (Epilobium obscurum), het spitsbladige wilgenroosje (Epilobium lanceolatum), het heuvelwilgenroosje (Epilobium collinum), en het moeraswilgenroosje (Epilobium palustre), het kiezelwilgenroosje (Epilobium fleischeri), en het alpenwilgenroosje (Epilobium anagallidifolium).

De geneeskrachtige wilgenroosjes herkent men alle aan hun kleine bloemen van roodachtige, bleekroze of bijna witte kleur. Zij ziften op lange smalle zaadpeulen waaruit de zaadjes uitvallen zodra deze openspringen. Van de genoemde geneeskrachtige soorten, moet men de hele plant plukken, dus ook de stengel, bladeren en de bloemen, waarbij men erop moet letten, dat men de plant in het midden moet plukken – daar breekt de plant het beste – zodat ze weer zijscheuten kan krijgen.

Het plukken dient te geschieden als de planten nog fris zijn, het fijn knippen van dit alles eveneens. Twee soorten van het wilgenroosje kunnen nauwelijks met de andere klein bloemige soorten in de war gebracht worden. Het zijn twee soorten die niet gebruikt mogen worden; het ruwbehaarde of ruige wilgenroosje (Epilobium hirsutum) en het boswilgenroosje (Epilobium angustifolium). Bij het eerste roosje worden de bloempjes een duimnagel groot en zijn purperrood. Het staat vaak in struiken die tot 150 cm hoog kunnen worden. De stengels en bladeren zijn vleesachtig en aan de onderkant licht behaard.

Het ruige wilgenroosje is in tegenstelling tot de kleinbloemige wilgenroosjes, vijfmaal grotere bloemen, vleesachtige stelen en bladeren heeft en veel hoger groeit, maar dat een tegengestelde uitwerking heeft. Het boswilgenroosje ook wel “vuurkruid” genoemd, wordt ongeveer 150 cm hoog en groeit op open plaatsen in het bos, aan de rand van het bos en tussen bosbessenstruiken. De grote purperrode bloemen staan in kegelvormige trossen op een lange rode stengel. Doordat het boswilgenroosje in grote getale te vinden is, lijken de bloeiende planten dan op roodbrandende aarde en vallen daardoor sterk op. In de volksmond wordt het ook wel “boze geestenkruid” genoemd, het is duidelijk, dat we het bij prostaatziektes niet mogen gebruiken.

De geneeskracht van klein bloemige wilgenroosje is zo groot en sterk dat vaak meteen alle moeilijkheden met de prostaat verdwijnen. Er zijn gevallen bekend van mannen die geopereerd moesten worden omdat de urine nog maar druppelsgewijs kon komen, een enkel kop van die thee bracht reeds verlichting. Maar natuurlijk moet die thee gedurende langere tijd genomen worden om werkelijk te kunnen genezen.

Van de thee van het wilgenroosje mogen we ten hoogste twee koppen drinken, en wel ‘s ochtends op de nuchtere maag één kop en dan ‘s avonds nog een kop. Veel mannen die aan moeilijkheden aan de prostaat lijden, kunnen door het gebruik van het kleinbloemige wilgenroosje genezen zonder ooit geopereerd te hoeven worden. Maar dat betekent echter niet dat men nu geen arts hoeft op te zoeken; in ieder geval moet, bij elke ernstige ziekte, de arts geraadpleegd worden.

Indien men al geopereerd is kan men de wilgenroosje thee tegen o.a. het branderig gevoel na zo’n operatie nemen, die klachten verdwijnen dan vaak, men dient echter ook de arts om raad te vragen.

Thee: 1 overvolle theelepel kruid op 250 ml pas gekookt water, opgieten, kort laten trekken. Slechts twee koppen per dag, ‘s morgens nuchter en ‘s avonds een half uur vóór het slapengaan.